Volkskrant
OPINIE
Opinie: Rechtvaardigheid vraagt om
gelijke erkenning van geleden
onrecht
Zullen de excuses en vormen van erkenning, die nu terecht aan de Molukse
gemeenschap zijn aangeboden, uiteindelijk ook gelden voor andere
oorlogsslachtoffers uit voormalig Nederlands-Indië?
Keizer Naruhito en keizerin Masako van Japan legden onlangs een krans bij het
Nationaal Monument op de Dam. Bron NLBeeld
Dit artikel is geschreven door Erik Martens Gepubliceerd op 26 juni 2026, 20:00
Geachte minister-president Jetten,
Op 17 juni jl. begon het staatsbezoek van keizer Naruhito en keizerin
Masako van Japan met een kranslegging bij het Nationaal Monument op de
Dam. Daarbij waren vertegenwoordigers van de Indische en Molukse
gemeenschap aanwezig om aandacht te vragen voor het leed dat Japan
tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft veroorzaakt in Nederlands-Indië.
Die aandacht mocht echter niet zichtbaar zijn. De vertegenwoordigers
werden achter de ramen van hotel Krasnapolsky geplaatst, buiten het zicht
van publiek en genodigden. Wat werd omschreven als een ‘stil protest’
voelde voor velen als het beperken van een grondrecht: het recht om
zichtbaar vreedzaam te demonstreren. Daarmee werd opnieuw een signaal
afgegeven dat het leed van deze gemeenschappen wel mag worden herdacht,
maar niet te nadrukkelijk mag worden getoond.
Molukse gemeenschap
Tegen die achtergrond volgden wij met belangstelling de recente
ontwikkelingen rond de Molukse gemeenschap. Op 29 april riep
burgemeester Halsema van Amsterdam de regering op excuses aan te
bieden aan de Molukse KNIL-militairen en hun families. Op 16 juni stemde
de Tweede Kamer vervolgens met grote meerderheid in met een motie van
Don Ceder voor een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van
Molukkers in Nederland, met als doel te komen tot een passend gebaar van
erkenning.
Dat onderzoek en die excuses zijn terecht. De Molukse KNIL-militairen en
hun gezinnen hebben groot onrecht ervaren. Maar juist daarom roept deze
ontwikkeling ook een belangrijke vraag op. Waarom wordt deze erkenning
niet verbreed naar alle KNIL-militairen, oorlogsslachtoffers en hun families
uit voormalig Nederlands-Indië?
‘Comfort women’
De Japanse bezetting van 1942-1945 veroorzaakte een humanitaire ramp.
KNIL-militairen kwamen om in krijgsgevangenschap door uitputting,
ziekte, ondervoeding en dwangarbeid. Europese en Indisch-Nederlandse
burgers werden geïnterneerd in kampen waar honger, mishandeling en
ontberingen talloze slachtoffers maakten. Vrouwen en meisjes werden
slachtoffer van het systeem van militaire seksslavernij dat bekendstaat als
dat van de zogenoemde ‘comfort women’. Deze slachtoffers en hun
nabestaanden maken evenzeer deel uit van onze gedeelde geschiedenis. Ook
zij dragen de gevolgen van oorlog, verlies en trauma tot op de dag van
vandaag met zich mee.
Voor velen eindigde het leed bovendien niet met de Japanse capitulatie. Zij
maakten vervolgens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog mee en
werden uiteindelijk gedwongen hun geboorteland te verlaten. Eenmaal in
Nederland werden velen opgevangen in voormalige concentratiekampen.
Ook zij verloren hun thuis, hun toekomstperspectief en voelden een gebrek
aan erkenning.
Daarom stellen wij de Nederlandse staat een eenvoudige vraag: zullen de
excuses en vormen van erkenning die nu terecht aan de Molukse
gemeenschap worden aangeboden, uiteindelijk ook gelden voor andere
oorlogsslachtoffers uit voormalig Nederlands-Indië? En zal onderzoek naar
historisch onrecht zich eveneens uitstrekken tot hun behandeling en lot?
Geen verhalen uit een ver verleden
Tijdens het staatsbanket spraken zowel koning Willem-Alexander als keizer
Naruhito over de Tweede Wereldoorlog. De koning wees terecht op het
grote leed dat burgers en militairen is aangedaan en op de noodzaak het
verleden in zijn volle breedte te erkennen. Maar voor de nog levende
overlevenden zijn de gebeurtenissen van toen geen verhalen uit een ver
verleden. Zij zijn ooggetuigen. Hun ervaringen kunnen nu nog rechtstreeks
worden gehoord; over enkele jaren zal die mogelijkheid voorgoed
verdwijnen. Juist daarom blijft expliciete erkenning noodzakelijk.
Veel overlevenden verlangen niet in de eerste plaats naar
herdenkingsprogramma’s of symbolische uitwisselingen. Zij verlangen naar
een duidelijke erkenning van het onrecht dat hun is aangedaan, zowel door
Japan als door de Nederlandse overheid. Velen ervaren nog altijd dat hun
geschiedenis onvoldoende wordt gezien en dat zij niet dezelfde aandacht
krijgen als andere groepen slachtoffers.
Verdriet en teleurstelling in stilte
Afgelopen zondag bood u namens de Nederlandse regering excuses aan voor
de behandeling van de eerste generatie Molukkers die 75 jaar geleden naar
Nederland kwam. Voor het ontslag, de gebrekkige opvang, het niet gezien
worden en het verdriet dat daarvan het gevolg was. Dat gebaar verdient
respect. Maar het roept tegelijk de vraag op waarom vergelijkbare erkenning
uitblijft voor andere groepen uit voormalig Nederlands-Indië die eveneens
slachtoffer werden van oorlog, ontheemding, verlies en jarenlang gebrek
aan erkenning.
Wanneer sommige groepen wel en andere niet worden genoemd, ontstaat
het gevoel dat slachtoffers tegen elkaar worden afgewogen. Dat doet geen
recht aan de geschiedenis. Van de Indisch-Nederlandse gemeenschap wordt
vaak verwacht dat zij haar verdriet en teleurstelling in stilte draagt. Een
vorm van Indisch zwijgen: sudah, laat maar. Maar zwijgen mag niet worden
verward met instemming.
Alle slachtoffers
Wij verzoeken u daarom duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de
Nederlandse regering bereid is dezelfde maatstaf van erkenning, onderzoek
en excuses toe te passen op alle slachtoffers van de Japanse bezetting van
Nederlands-Indië en de gebeurtenissen die daarop volgden. Historische
rechtvaardigheid vraagt niet om onderscheid tussen slachtoffers, maar om
gelijke erkenning van geleden onrecht.
Tot slot vragen wij u om hierin persoonlijk leiderschap te tonen. Juist nu de
laatste ooggetuigen nog leven, bestaat de kans om recht te doen aan hun
ervaringen. Laat deze generatie niet verdwijnen zonder dat de Nederlandse
staat ondubbelzinnig heeft uitgesproken dat hun leed evenzeer wordt
gezien, erkend en herdacht.
Hoogachtend,
Het bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden, Erik Martens, voorzitter
